maandag 25 augustus 2014

Een goed onderduikadres

De wereld zoals we die kennen is erg veranderd in de afgelopen maanden. De geur van verrotting is nu zelfs doorgedrongen tot onze eigen steden, waar haat en geweld worden verheerlijkt en gepredikt. “Fuck de Talmoed” liet de menigte zich onder groot applaus welgevallen tijdens een demonstratie afgelopen zondag op de Dam. De politie deed niets. Hoe zou het zijn als er werd geschreeuwd: "Fuck de Koran!", dacht ik. De Dam zou te klein zijn geweest. 

Dezelfde Dam waar ik zeven jaar geleden heb kunnen regelen dat we Chanoeka konden vieren met een grote menorah. Het gevoel van bevrijding van toen, het gevoel van “We zijn er!” heeft plaats gemaakt voor een gevoel van “Hoe lang zijn we hier nog?”.

Voor het eerst in m’n leven voel ik me onbehaaglijk, nog maar een klein stapje verwijderd van het gevoel in Nederland misschien niet thuis te zijn. Jarenlang heb ik me ingezet om de Joodse gemeenschap naar buiten te doen keren, bruggen te slaan naar andere gemeenschappen.
Het Joods-Marokkaans Netwerk waarbij ik vanaf het begin betrokken was, is jammerlijk mislukt. Wel ben ik erdoor bevriend geraakt met een handjevol Marokkaanse Nederlanders en daar ben ik dankbaar voor. Met een enkeling voel ik zelfs een diepe verwantschap. Toch ben ik door de oplaaiende Jodenhaat anders gaan kijken tegen de brede Marokkaanse gemeenschap en ook tegen de Nederlandse samenleving.

Die Nederlandse samenleving is me wel het meeste aan het tegenvallen. De vraag is zelfs in me opgekomen wie het voor me zou opnemen als die Jodenhaat ernstigere vormen zou gaan aannemen. Op de overheid durf ik niet meer te vertrouwen nadat de burgemeester van Den Haag en nu zelfs van Amsterdam niet ingrijpt als Joden en het Jodendom worden bedreigd.
Vaak heb ik schertsend met vrienden gesproken over GOA’tjes – goede onderduikadressen – voor als het ooit weer nodig mocht zijn. Ik heb me er de afgelopen tijd op betrapt serieuzer naar dat korte lijstje in m’n hoofd te kijken.

Ik schrik van de polariserende standpunten, meningen en gevoelens die via de sociale media worden geuit. Op Twitter is een genuanceerde opvatting kennelijk het slechtste dat je kan hebben. Na 10.000 tweets heb ik er daarom voor gekozen om er even een time-out te nemen.

Op Facebook is de situatie al bijna net zo erg. Afgezien van de vrolijke berichten en icebucket challenges, verharden ook hier de standpunten. Bij sommige van m’n FB-vrienden gaat het alleen nog maar over het Gaza, Hamas en Israel, over haat en nijd.  De strijdvaardigheid in de Joodse gemeenschap is toegenomen. Veel mensen vinden - terecht - dat het niet opnieuw mag gebeuren dat wij ons laten wegpesten, in mekaar laten slaan of erger. En dat verhardt de toon van iedere discussie. Mensen met wie ik dacht het goed te kunnen vinden, worden ineens boos als ik nuance probeer aan te brengen in een veel te felle of eenzijdige discussie. Ik kan het hebben, maar het is geen fijn gevoel. Anderen uit eigen kring worden in agressieve bewoordingen zelfs nagenoeg afgemaakt omdat zij er een mening op na houden die afwijkt van wat de meesten vinden.  En ergens begrijp ik het ook. We voelen ons onzeker en we zoeken steun bij gelijkgestemden. Maar ik wil hier niet aan meedoen, ik wil niet meeschreeuwen, ik wil mezelf blijven. Ook diegenen die het anders zien, moeten we in hun waarde weten te laten. Respect voor elkaar is een belangrijk goed, ook als je het oneens bent over belangrijke zaken.

Een onbehaaglijk gevoel heeft zich ontegenzeglijk van mij meester gemaakt. Want in mijn meest boze dromen heb ik niet kunnen voorzien dat het zover zou komen. Dat ik mensen zichzelf hoor afvragen of ze de mezoeza niet beter van de deur kunnen halen. Dat ik vrienden die hier diepgeworteld zijn hoor zeggen dat ze geïnformeerd hebben wat nodig is om naar Israël te emigreren als het hier erger mocht worden. Dat ik mezelf hoor denken: ‘Zo’n vaart zal het hier niet lopen', waarna ik misselijk wordt bij de gedachte dat velen dit hebben gezegd en gedacht eind jaren ’30. Toch gaat de vergelijking met die tijd op een heleboel punten mank. En op een aantal andere punten, vrees ik, ook weer niet. En als ik beide kanten van de vergelijking op een weegschaaltje plaats, kan ik aan dat aanhoudende onbehaaglijke gevoel niet ontkomen.

“Fuck de Talmoed!” werd er geschreeuwd op de Dam. Hoe lang nog voordat er de Talmoed wordt verbrand, zonder dat daartegen wordt ingegrepen? “Da wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen”, schreef Heinrich Heine. Die gedachte vliegt me aan. En dus moeten we ons strijdbaar opstellen, ook ik, omdat de kans klein is dat anderen voor ons zullen opkomen als het er echt op aan komt. Dan maar even geen vrienden maken en misschien zelfs vriendschappen opofferen voor een groter goed: de strijd tegen Jodenhaat en dus de strijd voor het eigen lijfsbehoud. 
Want ik wil niet serieus hoeven na te denken over GOA’tjes.

© David Serphos

vrijdag 25 juli 2014

De vijand is niet meer onzichtbaar

Ik voel me somber en verdrietig. En boos. Nee, woedend. Op Jozias van Aartsen.
Nooit eerder heb ik het gevoel gehad onveilig te zijn in Nederland. Ja, natuurlijk is dat gevoel voor een onzichtbare vijand er altijd geweest, als kind op de met een hek beveiligde Joodse school en toen ik enkele dagen na 9/11 in een vliegtuig stapte, maar sinds gisteren is er iets veranderd. De vijand is niet meer onzichtbaar. Hij en nog honderd maatjes konden gisteren in Den Haag tijdens een demonstratie vrijuit roepen dat Joden dood moeten.
Dat doel, in verschillende kromme zinsconstructies uitgeschreeuwd, is gisteren gehoord door verschillende aanwezige journalisten. Zelfs de NOS heeft het durven melden. Toch verklaarde burgemeester Van Aartsen vandaag dat de aanwezige politie geen grensoverschrijdend gedrag heeft waargenomen. Dat kan betekenen dat de aanwezige dienders doof waren, maar aannemelijker lijkt het dat het scanderen van puur antisemitische en levensbedreigende taal voor Van Aartsen binnen de grenzen van het betamelijke valt. Hij laat het verder aan het OM over om te bepalen of er misschien toch dingen zijn gezegd die strafbaar zijn. Feit is dat Van Aartsen zelf te laf is geweest om op te treden tegen de vrienden van de Jihad en van ISIS, ontegenzeglijk de bloedigste en meest moorddadige schoften die vandaag deze aarde bevolken. Iemand met knikkende knieën zou niet de eerste burger van de stad van vrede en recht - bovendien de stad waar de regering zetelt - moeten zijn.

Van Aartsen laat in het gunstigste geval de verdenking op zich bang te zijn voor het tuig dat hij een demonstratievergunning heeft gegeven. In het ongunstige geval is hij iemand die het oproepen tot het doden van Joden en misschien wel die daad zelf niet zo ernstig vindt. Vorige week dronk hij - na een eerdere demonstratie met antisemitische elementen -een kopje koffie met vertegenwoordigers van het Centraal Joods Overleg en het CIDI, waarin hij aangaf dat er voor antisemitisme geen ruimte is in Den Haag. En dat brengt me tot de derde mogelijkheid: de man kan bang zijn voor haatzaaiers, maar niet voor een leugentje.

In alle drie de gevallen moet hij gedwongen worden op te stappen. Met zulke vrienden heeft het openbaar bestuur in Nederland geen vijanden nodig.

© David Serphos

maandag 2 juni 2014

Open brief aan Minister Opstelten

Het moment van de terroristische aanslag op het Joods Museum
in Brussel, waarbij 4 personen de dood vonden.
Geachte minister Opstelten,
De vermoedelijke dader van de aanslag op het Joods Museum in Brussel is aangehouden. “Zie je wel”, hoor ik u denken. “Niets aan de hand. Er is in Nederland geen sprake van terreurdreiging en al helemaal niet op Joodse doelen.”
Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom er in Nederland (godzijdank) nog nooit een aanslag heeft plaatsgevonden? Dat komt omdat sinds het begin van de jaren ’70 de Joodse gemeenschap de eigen beveiliging zeer consciëntieus heeft genomen. Wij (ik was 9 toen het eerste hek rond Rosj Pina werd gebouwd) en onze kinderen hebben ermee moeten leren leven. We hebben ons met z’n allen er blauw aan betaald, maar het was het ons waard. Bewakers voor de scholen, voor de synagogen, mee op schoolreisjes en op onze feesten en partijen.
Het is niet verbazingwekkend dat de aanslag in Brussel plaatsvond waar deze plaatsvond. Er was geen bewaking. Terroristen zoeken nu eenmaal de weg van de minste weerstand. Het is juist ómdat wij onze gemeenschap bewaken en óndanks het feit dat u het als minister niet nodig vindt om daar uw verantwoordelijkheid in te nemen, dat het bij ons tot nu toe rustig is gebleven.
De vermoedelijke dader van de aanslag in Brussel is een teruggekeerde Jihad-strijder. De Franse autoriteiten hielden hem in de gaten. De Belgische niet en de Nederlandse ook niet. Dat is beangstigend, want terroristen respecteren geen landsgrenzen. Hij is ook niet aangehouden omdát hij in de gaten werd gehouden, maar omdat er een drugscontrole plaatsvond op bussen afkomstig uit Nederland. Stom toeval en niets met opsporingswerk te maken.
U probeert ons wijs te maken dat er in Nederland geen sprake is van acute terreurdreiging en al helemaal niet op Joodse doelen. Feit is dat u dat helemaal niet weet en de AIVD evenmin. Want zelfs als we al wisten wie de potentiële terroristen waren, dan nog beschikken we niet over de middelen om ze in de gaten te houden. Niet in Nederland en al helemaal niet in Europees verband. Dat heeft de Brusselse aanslag maar even bewezen.
U komt pas in actie als ook in Nederland (God verhoede) het kalf zal zijn verdronken. In de tussentijd probeert u ons te sussen met uw “Ga maar rustig slapen, hier is niets aan de hand,” een mantra die u alleen maar kunt volhouden omdat en zolang de Joodse gemeenschap doet wat de landelijke overheid zou moeten doen: mensen beschermen tegen terreur. In die zin helpen wij u aan een self-fulfilling prophecy. U kunt rustig gaan slapen terwijl onze bewakers de wacht houden.
Geen dank.

© David Serphos
________________
Naschrift 6 juni 2014:
http://nos.nl/artikel/657421-extra-beveiliging-joodse-gebouwen.html  

maandag 10 februari 2014

"Pas goed op m'n knikkers totdat ik weer terug kom."

Vorige week werden knikkers die ooit van Anne Frank zijn geweest wereldnieuws. Ze worden tentoongesteld in de Kunsthal Rotterdam. Een vroeger buurmeisje van Anne aan het Merwedeplein had het blik met knikkers van de kleine Anne gekregen kort voordat de familie Frank in onderduik ging. “De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen” heet de tentoonstelling, die is samengesteld door programmamaker/journalist Ad van Liempt. Het knikkerblik is daar één van. Hoe verzin je het.

Dat zelfs CNN en The Washington Post aandacht hadden voor de knikkers is niet verwonderlijk. Anne Frank is een wereldmerk geworden en het Anne Frankhuis trekt dagelijks duizenden bezoekers die de boekenkast, het dagboek en de plaatjes van filmsterren in haar slaapkamer komen bekijken. Ik ben een groot voorstander van het achterhuis als museum. Het laat zien wat de onderduik betekende voor Joden, voor een Joodse puber, met dromen en ideeën over later. De onderduik van mijn vader - een jaar jonger dan Anne - versterkt de sympathie die ik voor het educatieve idee achter dit museum voel. Hoe meer mensen in de rij op de Prinsengracht, hoe beter dat is. 

Ook Van Liempt moet zich hebben afgevraagd hoe hij zo veel mogelijk publiek naar de Kunsthal kon trekken met een canon van 100 voorwerpen. Een gegarandeerd succes: speelgoed dat ooit door Anne Frank is aangeraakt. Als één van de 100 voorwerpen over de Tweede Wereldoorlog. Het is jammer dat ze voor dit doel worden gebruikt. Het verheffen van een blik met knikkers tot een relikwie, zoals Van Liempt met de zegen van de Anne Frank Stichting doet, is ongepast en doet afbreuk aan zowel de nagedachtenis van Anne Frank als aan een goede educatie over de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging.

Er zijn mensen die mij zullen toewerpen dat het goed is dat kinderen dankzij deze knikkers kunnen zien dat Anne een gewoon meisje was. En dat is zo; het Anne Frank Huis staat vol met voorwerpen waaraan je dat kan zien en daar horen ze thuis. Maar de tentoonstelling in de Kunsthal Rotterdam is van een geheel andere orde. Die gaat over de bezetting, over niemand in het bijzonder, dus ook niet over Anne Frank. De knikkers laten niet de essentie zien van de Tweede Wereldoorlog en al zeker niet hoe wreed de georganiseerde en systematische vervolging van Joodse medeburgers was. 

Ik zag deze foto waarop Koning Willem-Alexander met een soort verplichte eerbied kijkt naar het blik met
knikkers. Wat moet je anders. Knikkers waar jonge bezoekertjes echter met andere ogen naar zullen kijken: "Dus dát was de Tweede Wereldoorlog. Wát een mooie knikkers had Anne Frank." Een grote misser.

Als ik een tentoonstelling moest maken van 100 voorwerpen die de Tweede Wereldoorlog voelbaar zouden moeten maken voor jong en oud en ik zou daar Anne Frank een rol in willen geven, dan zou ik kiezen voor een uniform van de politie, die zo veel Annes van huis haalde, of een bordje van tramlijn 8, die niet-ondergedoken Joden uit de omgeving van het Merwedeplein na een razzia naar de Hollandsche Schouwburg vervoerde, of een plankje van de NS-trein die ze van daaruit naar Westerbork transporteerde. Dát zijn dode voorwerpen die laten zien wat de Tweede Wereldoorlog echt met kinderen heeft gedaan. En als je dan toch Anne's knikkerblik wil tentoonstellen, laat het dan symbool staan voor de talloze zilveren bestekken, tafelkleden, juwelen, antieke boeken en schilderijen die Joodse burgers aan hun buren in bewaring gaven... voor wanneer zij weer zouden terugkeren. Voorwerpen die vele Nederlanders - de goeden niet te na gesproken - vandaag nog in huis hebben of via Marktplaats te gelde proberen te maken.


woensdag 4 december 2013

Eerlijk zeggen: wat ziet u?

Wie langs het Olympisch Stadion in Amsterdam loopt of rijdt, ziet daar een standbeeld van een atleet die met uitgestrekte arm, de vingers tegen elkaar, staat afgebeeld. Elke keer weer krijg ik er een onbehaaglijk gevoel bij. Deze week werd ik door een toerist gevraagd waarom er op die plek een standbeeld staat van iemand die de Hitlergroet uitbrengt. Leg het maar eens uit.

Het beeld werd in 1928 door de Nederlandse beeldhouwster Gerharda Rueb vervaardigd en verwelkomt de bezoekers met wat weinigen zullen herkennen als de Olympische groet (the Olympic salute). In 1936 zorgde deze groet nog voor de nodige verwarring, toen tijdens de Olympische Spelen de Franse atleten bij binnenkomst in het stadion van Berlijn deze groet uitbrachten. Cineaste Leni Riefenstahl gebruikte de beelden vervolgens in de Nazi-propagandafilm Olympia (1938) waarin het leek alsof de sporters de Hitlergroet uitbrachten. De groet en de manier waarop deze wordt uitgebracht is nagenoeg identiek.

Vandaag nog is de Olympische groet een officieel symbool van de Olympische Spelen. Het Internationaal Olympisch Comité heeft de groet namelijk nooit afgedankt. Het behoort, net als de Olympische vlag met de 5 ringen, de vlam en het Olympische motto (Citius, Altius, Fortius – sneller, hoger, sterker) tot de officiële symbolen van de Spelen.

Na de Tweede Wereldoorlog is de Olympische groet om begrijpelijke redenen in onbruik geraakt. Maar anno 2014 zou het zomaar kunnen dat sporters, aangemoedigd door het land waar zij voor uitkomen, deze groet herintroduceren. En het Olympisch Comité zal daar niets tegen kunnen doen. Het is dat Mahmoud Ahmadinejad niet meer de scepter zwaait over Iran, maar een willekeurige holocaustontkenner als hij zou het in zijn hoofd kunnen halen om deze verwarrende heilsgroet te laten uitbrengen. En wat vinden we daar dan met z’n allen van? Het kalf zal dan al zijn verdronken.

Met de Olympische Winterspelen in Sotsji in aantocht, roep ik het Nederlands Olympisch Comité op om zich bij het IOC in te zetten voor het opheffen van de Olympische groet als officieel symbool van de Olympische Spelen. Tegelijkertijd roep ik de Gemeente Amsterdam en het Stadsdeel Zuid op om het fraaie standbeeld van Gra Rueb een nieuwe bestemming te geven - bijvoorbeeld een museum – waar het met respect en de nodige uitleg kan worden tentoon gesteld. Op de plaats waar het nu staat roept het – misschien ten onrechte, maar niettemin - bij veel Amsterdammers en toeristen vooral associaties op met de zwartste periode in onze moderne geschiedenis.

zaterdag 29 juni 2013

Het Midden-Oosten conflict: Barbra Streisand & Mohamed Assaf

Dit weblogartikel verscheen als
gastcolumn in 
het
Nieuw Israelitisch Weekblad (NIW)
van 28 juni 2013
In mijn kringen lopen de meningen al jaren uiteen of je openlijk kritiek mag uiten op “Israël” (een breed begrip dat alles omvat van het veiligheidshek tot aan de oorsprong van choemoes). Of zelfs kritiek mag hebben op de Joodse gemeenschap. Onder ons is dat helemaal geen issue, want dan zijn de verbale messen meestal vlijmscherp geslepen. Zelfs onder mijn eigen twee kinderen is zowel op Midden-Oosten gebied als ten aanzien van Joods Nederland de havik van de duif te onderscheiden. En al heb ik zelf nooit om een mening verlegen gezeten, ik ben misschien wat genuanceerder dan deze twee studerende vogelsoorten.

Onder mijn kennissen en Twittervolgers wordt die nuance - die ik niet alleen in klein gezelschap, maar ook naar buiten toe uitdraag - me niet bepaald in dank afgenomen. Een bericht op Twitter waarin ik begrip toon voor de Palestijnse zaak of waarin ik afstand neem van een prominente Joodse Nederlander, leidt steevast tot emails en telefoontjes ter rechterzijde van het Joods/Israël-spectrum. En dat is inclusief een aanzienlijke groep volgers uit de Gelderse Vallei en de Veluwe, die in dergelijke kritiek de toorn van de Almachtige vrezen. Andersom garandeert een steunbetuigende tweet aan het adres van een stukje Israelisch regeringsbeleid of voor het behoud van de jongensbesnijdenis in Nederland meteen een tirade van “links” (waaronder begrepen dierenactivisten en de achterban van Een Weinig Joods Geluid).

Thuis is zoals gezegd de kritiek niet mals. “Moest je daar zo nodig iets over tweeten?” wordt me met regelmaat gevraag op vrijdagavond, wanneer we heerlijk aan het Sjabbesdiner zitten. En dan moet ik me linksom of rechtsom – maar meestal simultaan – verantwoorden en verdedigen richting eerder bedoelde havik en duif. Goddank daarvoor, want ik geniet van die scherpe geesten die aan nuance geen enkele boodschap hebben. Wel ben ik benieuwd hoe zij over 25 jaar hierop zullen terugkijken. Ik hoop het ze te kunnen vragen.

Over slechts één onderwerp - waarover ik ook al zéér genuanceerd dacht – heb ik me echter onder druk van mijn vrienden- en kennissenkring overgegeven aan een ietwat extreme opvatting: Barbra Streisand.

Eerder deze maand bezocht ik haar concert in Amsterdam en ik vond het – hoe zal ik het zeggen – matig. Maar wie van de tientallen bekenden ik die avond en sindsdien ook tegenkwam vond het “fantastisch” of zelfs “de beste avond van m’n leven”. Ik kan dat nog steeds niet goed uitleggen. Komt het omdat ze € 200 - € 500 de man hebben neergeteld voor een kaartje en niet willen toegeven dat het een slechte deal was? Of was het omdat je La Streisand niet openlijk mag bekritiseren? Ik denk dat het dit laatste is. Kritiek op deze postergirl van Joodse trots, komt simpelweg neer op niet minder dan Jüdische Selbsthaß.

Hoe het ook zij, na een eerste voorzichtige kritische noot die mij jarenlange vriendschappen dreigde te kosten, heb ik alsnog mijn publieke mening bijgesteld. Wat ik nu vind van Barbra? Het concert was geweldig! Fantastisch! Uniek! En in samenhang met haar optreden voor President Peres in Israël was het ook voor mij achteraf bezien misschien wel “de beste avond van m’n leven”. Laat ik vooral niemand horen zeggen dat Barbra’s 70-jaar oude stem suboptimaal was tijdens dat historische optreden. Nee, wie geen emmer tranen heeft gelaten bij het horen van Barb’s vertolking van het Hatikwa en het Avinoe Malkenoe, kan gewoon niet anders dan een vijand van Israël en van het Joodse volk zijn. Daar zijn we het hopelijk over eens onder het uiteenlopende lezerspubliek van het NIW.

In dat opzicht begrijp ik de uitbraak van euforie in Gaza en op de Westbank heel goed nu het afgelopen weekeinde een Gazaanse Palestijn de Arabische versie van Idols heeft gewonnen. Of je als Palestijn nu achter Hamas staat of van Fatah-huize bent, wat je ook denkt over Abbas, Fayyad of de nogal snel opgestapte Hamdallah, sinds enkele dagen staat iedere Palestijn vierkant achter het jonge symbool van de Palestijnse toekomst: Mohamed Assaf. De diplomatieke status die hij van de UNRWA heeft gekregen, toont aan dat interne politieke meningsverschillen verdwijnen zodra een muzikale ster is geboren.

Politiek gezien is het Israelisch-Palestijnse vraagstuk zo ingewikkeld dat een vreedzame oplossing alleen kan worden bereikt door ware profeten van onze tijd, die zich naar mijn weten nog niet hebben geopenbaard. Iedere opvatting over het gelijk aan de ene zijde is gedoemd te sneuvelen in het geweld van het gelijk ten andere zijde. Ook met twitteren gaan we er niet komen. Ik zeker niet, want nuance is fijn, maar als je de ander niet recht in de ogen kunt kijken, ga je er niet ver mee komen.

Nee, het Midden-Oosten conflict zou misschien het best een schokimpuls kunnen worden gegeven door een duet van Barbra en Mohamed te organiseren ergens onder een olijfboom in Jeruzalem. Ik zal de eerste zijn die daar (weer) € 200 per kaartje aan uitgeeft. En wie niet bij voorbaat durft te beamen dat dit het mooiste zal zijn dat we in ons leven kunnen meemaken, is op mijn Twitter timeline niet welkom, want – dat mag duidelijk zijn - geen vriend van de vrede.

zondag 24 maart 2013

In Memoriam: Miguel Arcangel Pourier (1938-2013)

Het is de vooravond van Pesach - de Joodse herdenking van de Exodus, de uittocht uit Egypte.
De hoofdrol in dit machtigste verhaal uit de Joodse geschiedenis is Mozes. Zijn vooraanstaande positie aan het hof van Farao eindigt nadat hij opkomt voor een slaaf die wordt mishandeld. Hiermee beledigt hij de Farao en hij moet vluchten naar de woestijn, waar hij een leven als eenvoudige herder leeft. Hij is een nederige man en geniet van dit rustige bestaan, totdat God zich aan hem manifesteert en hem opdraagt de waarachtige taak op zich te nemen om het Joodse volk - zijn volk - te redden uit de slavernij en weg te voeren uit Egypte. Mozes ziet op tegen deze taak. Hij blijft liever waar hij is. Wie is hij, dat hij tot deze opdracht wordt geroepen, wil hij van God weten. Hij is geen leidersfiguur, allerminst welbespraakt. Tegen wil en dank neemt hij de zware taak op zich en leidt dat drammerige volk weg van de vernedering, in de richting van het Beloofde Land. In de jaren van zijn leiderschap wordt hij regelmatig beschimpt en verraden, maar hij heeft slechts één doel voor ogen: de Goddelijke opdracht. Het Beloofde Land zal hij zelf uiteindelijk niet betreden, maar - zo besluit het boek Exodus - na hem is er nooit meer een profeet opgestaan zoals hij.

In 1993 is Miguel Pourier gepensioneerd. In de jaren daarvoor heeft hij zich opgewerkt van ambtenaar tot directeur van de ABN op de Nederlandse Antillen. Als consultant runt hij nu vanuit een onbeduidend kantoortje het kleine adviesbureau Mafas. Zijn vrije tijd brengt hij door met een stevig potje tennis en met zijn lieve vrouw Hilly en hun kinderen Darrell, Josje en Simone.
Politiek gezien rommelt het dat jaar als de Antillen afstevenen op een staatkundig referendum, waarbij alle politieke partijen optie B voorstaan: een autonoom Curaçao en de ontmanteling van de Antillen-van-vijf. Pourier ziet dit met lede ogen aan en steunt uiteindelijk een kleine non-politieke groep die zich in de media tegen de vroegtijdige opsplitsing van de Antilliaanse familie profileert. Dit geluid vindt bijval bij het publiek en in de aanloop naar het referendum ontstaat de beweging Pro Antia Restrukturá (voor een geherstructureerde Antillen). Op Miguel wordt een klemmend beroep gedaan deze te leiden. Dit is echter allesbehalve wat hij in gedachten heeft. Hij heeft er eigenlijk helemaal geen zin in. Hij weet wat dit zal betekenen. En toch doet hij wat hem wordt gevraagd. Hij zal jarenlang geen rustige dag meer kennen.

De magistrale overwinning van "zijn" optie A (een geherstructureerde Antillen) is een verhaal apart evenals de verkiezingen die daarop volgden en werden gewonnen door de inmiddels in allerijl opgerichte Partido Antia Restrukturá (PAR). Tegen wil en dank werd Miguel in 1994 "MinPres", een ambt waarin voor zijn zachtaardigheid weinig plaats was. Maar er was geen weg terug. Hij was door zijn volk geroepen om hen de weg te wijzen en in nederigheid antwoordde hij: hier ben ik, dienstbaar aan de gemeenschap.

Vanaf het moment dat ik hem in dat onstuimige jaar 1993 ontmoette, wist Miguel me te biologeren. Dat deed hij niet door prachtig taalgebruik, door fraaie gebaren of door opvallend gedrag, maar juist door zijn zachtmoedigheid, bescheidenheid en oprechtheid. Het waren eigenschappen die mij en anderen inspireerden, maar die hem - naar later bleek - een makkelijk doelwit zouden maken voor politieke machtsspelletjes en opportunisme, waar hij wars van was.

Het liep allesbehalve van een leien dakje. Ik herinner me nog de schok op die allereerste werkdag in Fort Amsterdam in 1994. Bovenop de stapel post lag een brief van de President-directeur Pieter Bouw van de KLM. Deze 40% aandeelhouder in de Antilliaanse Luchtvaartmaatschappij (de Antilliaanse regering was de andere aandeelhouder) zegde de deelname aan de joint venture op. Een mokerslag voor de al vele jaren verlies lijdende ALM, maar ook voor het aanzien van dit nieuwe kabinet-Pourier. Het was een eerste klap.
Kort hierna vroeg hij me om toe te treden tot de Raad van Commissarissen van de ALM. We zouden elkaar regelmatig spreken op het Fort in die woelige jaren die met deze benoeming ook voor mij waren aangebroken. Ik herinner me onder meer de heftige demonstratie van stakende ALM-medewerkers voor het woonhuis van Pourier en mij - hij was inmiddels mijn buurman geworden op Royal Gardens - in 1996. Ze hadden het op hem gemunt en de sfeer was grimmig. De politie had de demonstratie voor zijn huis niet zien aankomen. Dat daar geen slachtoffers zijn gevallen, mag een klein wonder heten.

Een jaar later schonk Miguel me opnieuw zijn vertrouwen: hij vroeg me om op de kieslijst van de PAR te staan voor de verkiezingen van de Eilandsraad van Curaçao. Hij plaatste me op de verkiesbare 9e positie. Met veel enthousiasme stortte ik me op dat werk. Maar de moeilijke tijden die ons familiebedrijf doormaakte, maakten het onmogelijk om me ten volle voor de PAR in te blijven zetten en in 1997 moest ik uiteindelijk voor de eigen zaak kiezen. Miguel nam korte tijd mijn vacant geworden plaats in de Eilandsraad in.

In 1998 verhuisde ik naar Nederland. Miguel  introduceerde me bij relaties op de hoogste posities in het Nederlandse bedrijfsleven. In de jaren die volgden, werd ons contact minder, maar de genegenheid bleef. Op de bruiloft van zijn dochter in 2001 praatten we bij en tijdens mijn vakanties op Curaçao zocht ik hem steevast thuis op. Mede op zijn voorspraak mocht ik in 2009 een koninklijke onderscheiding ontvangen. Mijn passie om iets te doen voor de samenleving heeft hij zeker helpen vormgeven.

In de jaren na mijn vertrek uit Curaçao volgde ik de ontwikkelingen op de Antillen nauwgezet. Ik zag hoe Miguel een onnavolgbare strijd leverde om de financieel-economische crisis van de Antillen (en andere crises) het hoofd te bieden. Dat werd hem niet alleen vanuit de Antilliaanse politieke slangenkuil onmogelijk gemaakt. De grootste klap kreeg hij te verwerken toen zijn grootste bondgenoot, de Nederlands Premier Wim Kok, hem in 2001 een dolkstoot toediende door hem te laten vallen. Nederland trok zich onverwacht terug uit het samen opgetuigde saneringsplan in het kader van het IMF. Miguel bleef als altijd een gentleman en keerde Kok de andere wang toe. Maar z'n gezondheid had gedurende deze - letterlijke - tropenjaren zwaar te lijden gehad en in 2002 verliet hij de politiek.

Voor velen die met hem zijn opgetrokken is Miguel een mentor en een groot voorbeeld geweest. Voor mij geldt dat zeker. Ik koester veel dierbare en waardevolle herinneringen aan een nobel, integer, bescheiden en dienstbaar mens, een warme persoonlijkheid, die diepe indruk op mij heeft gemaakt en die ik nooit zal vergeten.

Miguel Arcangel Pourier is gisteren op 74-jarige leeftijd overleden. Nomen est omen: Michaël, de aartsengel. Beschermer van zijn volk. Zoals Mozes een leider van zijn volk was. Want ook dat was Miguel. En nooit meer zal er één opstaan zoals hij.

Moge hij rusten in vrede.

© David Serphos