maandag 10 februari 2014

"Pas goed op m'n knikkers totdat ik weer terug kom."

Vorige week werden knikkers die ooit van Anne Frank zijn geweest wereldnieuws. Ze worden tentoongesteld in de Kunsthal Rotterdam. Een vroeger buurmeisje van Anne aan het Merwedeplein had het blik met knikkers van de kleine Anne gekregen kort voordat de familie Frank in onderduik ging. “De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen” heet de tentoonstelling, die is samengesteld door programmamaker/journalist Ad van Liempt. Het knikkerblik is daar één van. Hoe verzin je het.

Dat zelfs CNN en The Washington Post aandacht hadden voor de knikkers is niet verwonderlijk. Anne Frank is een wereldmerk geworden en het Anne Frankhuis trekt dagelijks duizenden bezoekers die de boekenkast, het dagboek en de plaatjes van filmsterren in haar slaapkamer komen bekijken. Ik ben een groot voorstander van het achterhuis als museum. Het laat zien wat de onderduik betekende voor Joden, voor een Joodse puber, met dromen en ideeën over later. De onderduik van mijn vader - een jaar jonger dan Anne - versterkt de sympathie die ik voor het educatieve idee achter dit museum voel. Hoe meer mensen in de rij op de Prinsengracht, hoe beter dat is. 

Ook Van Liempt moet zich hebben afgevraagd hoe hij zo veel mogelijk publiek naar de Kunsthal kon trekken met een canon van 100 voorwerpen. Een gegarandeerd succes: speelgoed dat ooit door Anne Frank is aangeraakt. Als één van de 100 voorwerpen over de Tweede Wereldoorlog. Het is jammer dat ze voor dit doel worden gebruikt. Het verheffen van een blik met knikkers tot een relikwie, zoals Van Liempt met de zegen van de Anne Frank Stichting doet, is ongepast en doet afbreuk aan zowel de nagedachtenis van Anne Frank als aan een goede educatie over de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging.

Er zijn mensen die mij zullen toewerpen dat het goed is dat kinderen dankzij deze knikkers kunnen zien dat Anne een gewoon meisje was. En dat is zo; het Anne Frank Huis staat vol met voorwerpen waaraan je dat kan zien en daar horen ze thuis. Maar de tentoonstelling in de Kunsthal Rotterdam is van een geheel andere orde. Die gaat over de bezetting, over niemand in het bijzonder, dus ook niet over Anne Frank. De knikkers laten niet de essentie zien van de Tweede Wereldoorlog en al zeker niet hoe wreed de georganiseerde en systematische vervolging van Joodse medeburgers was. 

Ik zag deze foto waarop Koning Willem-Alexander met een soort verplichte eerbied kijkt naar het blik met
knikkers. Wat moet je anders. Knikkers waar jonge bezoekertjes echter met andere ogen naar zullen kijken: "Dus dát was de Tweede Wereldoorlog. Wát een mooie knikkers had Anne Frank." Een grote misser.

Als ik een tentoonstelling moest maken van 100 voorwerpen die de Tweede Wereldoorlog voelbaar zouden moeten maken voor jong en oud en ik zou daar Anne Frank een rol in willen geven, dan zou ik kiezen voor een uniform van de politie, die zo veel Annes van huis haalde, of een bordje van tramlijn 8, die niet-ondergedoken Joden uit de omgeving van het Merwedeplein na een razzia naar de Hollandsche Schouwburg vervoerde, of een plankje van de NS-trein die ze van daaruit naar Westerbork transporteerde. Dát zijn dode voorwerpen die laten zien wat de Tweede Wereldoorlog echt met kinderen heeft gedaan. En als je dan toch Anne's knikkerblik wil tentoonstellen, laat het dan symbool staan voor de talloze zilveren bestekken, tafelkleden, juwelen, antieke boeken en schilderijen die Joodse burgers aan hun buren in bewaring gaven... voor wanneer zij weer zouden terugkeren. Voorwerpen die vele Nederlanders - de goeden niet te na gesproken - vandaag nog in huis hebben of via Marktplaats te gelde proberen te maken.


woensdag 4 december 2013

Eerlijk zeggen: wat ziet u?

Wie langs het Olympisch Stadion in Amsterdam loopt of rijdt, ziet daar een standbeeld van een atleet die met uitgestrekte arm, de vingers tegen elkaar, staat afgebeeld. Elke keer weer krijg ik er een onbehaaglijk gevoel bij. Deze week werd ik door een toerist gevraagd waarom er op die plek een standbeeld staat van iemand die de Hitlergroet uitbrengt. Leg het maar eens uit.

Het beeld werd in 1928 door de Nederlandse beeldhouwster Gerharda Rueb vervaardigd en verwelkomt de bezoekers met wat weinigen zullen herkennen als de Olympische groet (the Olympic salute). In 1936 zorgde deze groet nog voor de nodige verwarring, toen tijdens de Olympische Spelen de Franse atleten bij binnenkomst in het stadion van Berlijn deze groet uitbrachten. Cineaste Leni Riefenstahl gebruikte de beelden vervolgens in de Nazi-propagandafilm Olympia (1938) waarin het leek alsof de sporters de Hitlergroet uitbrachten. De groet en de manier waarop deze wordt uitgebracht is nagenoeg identiek.

Vandaag nog is de Olympische groet een officieel symbool van de Olympische Spelen. Het Internationaal Olympisch Comité heeft de groet namelijk nooit afgedankt. Het behoort, net als de Olympische vlag met de 5 ringen, de vlam en het Olympische motto (Citius, Altius, Fortius – sneller, hoger, sterker) tot de officiële symbolen van de Spelen.

Na de Tweede Wereldoorlog is de Olympische groet om begrijpelijke redenen in onbruik geraakt. Maar anno 2014 zou het zomaar kunnen dat sporters, aangemoedigd door het land waar zij voor uitkomen, deze groet herintroduceren. En het Olympisch Comité zal daar niets tegen kunnen doen. Het is dat Mahmoud Ahmadinejad niet meer de scepter zwaait over Iran, maar een willekeurige holocaustontkenner als hij zou het in zijn hoofd kunnen halen om deze verwarrende heilsgroet te laten uitbrengen. En wat vinden we daar dan met z’n allen van? Het kalf zal dan al zijn verdronken.

Met de Olympische Winterspelen in Sotsji in aantocht, roep ik het Nederlands Olympisch Comité op om zich bij het IOC in te zetten voor het opheffen van de Olympische groet als officieel symbool van de Olympische Spelen. Tegelijkertijd roep ik de Gemeente Amsterdam en het Stadsdeel Zuid op om het fraaie standbeeld van Gra Rueb een nieuwe bestemming te geven - bijvoorbeeld een museum – waar het met respect en de nodige uitleg kan worden tentoon gesteld. Op de plaats waar het nu staat roept het – misschien ten onrechte, maar niettemin - bij veel Amsterdammers en toeristen vooral associaties op met de zwartste periode in onze moderne geschiedenis.

zaterdag 29 juni 2013

Het Midden-Oosten conflict: Barbra Streisand & Mohamed Assaf

Dit weblogartikel verscheen als
gastcolumn in 
het
Nieuw Israelitisch Weekblad (NIW)
van 28 juni 2013
In mijn kringen lopen de meningen al jaren uiteen of je openlijk kritiek mag uiten op “Israël” (een breed begrip dat alles omvat van het veiligheidshek tot aan de oorsprong van choemoes). Of zelfs kritiek mag hebben op de Joodse gemeenschap. Onder ons is dat helemaal geen issue, want dan zijn de verbale messen meestal vlijmscherp geslepen. Zelfs onder mijn eigen twee kinderen is zowel op Midden-Oosten gebied als ten aanzien van Joods Nederland de havik van de duif te onderscheiden. En al heb ik zelf nooit om een mening verlegen gezeten, ik ben misschien wat genuanceerder dan deze twee studerende vogelsoorten.

Onder mijn kennissen en Twittervolgers wordt die nuance - die ik niet alleen in klein gezelschap, maar ook naar buiten toe uitdraag - me niet bepaald in dank afgenomen. Een bericht op Twitter waarin ik begrip toon voor de Palestijnse zaak of waarin ik afstand neem van een prominente Joodse Nederlander, leidt steevast tot emails en telefoontjes ter rechterzijde van het Joods/Israël-spectrum. En dat is inclusief een aanzienlijke groep volgers uit de Gelderse Vallei en de Veluwe, die in dergelijke kritiek de toorn van de Almachtige vrezen. Andersom garandeert een steunbetuigende tweet aan het adres van een stukje Israelisch regeringsbeleid of voor het behoud van de jongensbesnijdenis in Nederland meteen een tirade van “links” (waaronder begrepen dierenactivisten en de achterban van Een Weinig Joods Geluid).

Thuis is zoals gezegd de kritiek niet mals. “Moest je daar zo nodig iets over tweeten?” wordt me met regelmaat gevraag op vrijdagavond, wanneer we heerlijk aan het Sjabbesdiner zitten. En dan moet ik me linksom of rechtsom – maar meestal simultaan – verantwoorden en verdedigen richting eerder bedoelde havik en duif. Goddank daarvoor, want ik geniet van die scherpe geesten die aan nuance geen enkele boodschap hebben. Wel ben ik benieuwd hoe zij over 25 jaar hierop zullen terugkijken. Ik hoop het ze te kunnen vragen.

Over slechts één onderwerp - waarover ik ook al zéér genuanceerd dacht – heb ik me echter onder druk van mijn vrienden- en kennissenkring overgegeven aan een ietwat extreme opvatting: Barbra Streisand.

Eerder deze maand bezocht ik haar concert in Amsterdam en ik vond het – hoe zal ik het zeggen – matig. Maar wie van de tientallen bekenden ik die avond en sindsdien ook tegenkwam vond het “fantastisch” of zelfs “de beste avond van m’n leven”. Ik kan dat nog steeds niet goed uitleggen. Komt het omdat ze € 200 - € 500 de man hebben neergeteld voor een kaartje en niet willen toegeven dat het een slechte deal was? Of was het omdat je La Streisand niet openlijk mag bekritiseren? Ik denk dat het dit laatste is. Kritiek op deze postergirl van Joodse trots, komt simpelweg neer op niet minder dan Jüdische Selbsthaß.

Hoe het ook zij, na een eerste voorzichtige kritische noot die mij jarenlange vriendschappen dreigde te kosten, heb ik alsnog mijn publieke mening bijgesteld. Wat ik nu vind van Barbra? Het concert was geweldig! Fantastisch! Uniek! En in samenhang met haar optreden voor President Peres in Israël was het ook voor mij achteraf bezien misschien wel “de beste avond van m’n leven”. Laat ik vooral niemand horen zeggen dat Barbra’s 70-jaar oude stem suboptimaal was tijdens dat historische optreden. Nee, wie geen emmer tranen heeft gelaten bij het horen van Barb’s vertolking van het Hatikwa en het Avinoe Malkenoe, kan gewoon niet anders dan een vijand van Israël en van het Joodse volk zijn. Daar zijn we het hopelijk over eens onder het uiteenlopende lezerspubliek van het NIW.

In dat opzicht begrijp ik de uitbraak van euforie in Gaza en op de Westbank heel goed nu het afgelopen weekeinde een Gazaanse Palestijn de Arabische versie van Idols heeft gewonnen. Of je als Palestijn nu achter Hamas staat of van Fatah-huize bent, wat je ook denkt over Abbas, Fayyad of de nogal snel opgestapte Hamdallah, sinds enkele dagen staat iedere Palestijn vierkant achter het jonge symbool van de Palestijnse toekomst: Mohamed Assaf. De diplomatieke status die hij van de UNRWA heeft gekregen, toont aan dat interne politieke meningsverschillen verdwijnen zodra een muzikale ster is geboren.

Politiek gezien is het Israelisch-Palestijnse vraagstuk zo ingewikkeld dat een vreedzame oplossing alleen kan worden bereikt door ware profeten van onze tijd, die zich naar mijn weten nog niet hebben geopenbaard. Iedere opvatting over het gelijk aan de ene zijde is gedoemd te sneuvelen in het geweld van het gelijk ten andere zijde. Ook met twitteren gaan we er niet komen. Ik zeker niet, want nuance is fijn, maar als je de ander niet recht in de ogen kunt kijken, ga je er niet ver mee komen.

Nee, het Midden-Oosten conflict zou misschien het best een schokimpuls kunnen worden gegeven door een duet van Barbra en Mohamed te organiseren ergens onder een olijfboom in Jeruzalem. Ik zal de eerste zijn die daar (weer) € 200 per kaartje aan uitgeeft. En wie niet bij voorbaat durft te beamen dat dit het mooiste zal zijn dat we in ons leven kunnen meemaken, is op mijn Twitter timeline niet welkom, want – dat mag duidelijk zijn - geen vriend van de vrede.

zondag 24 maart 2013

In Memoriam: Miguel Arcangel Pourier (1938-2013)

Het is de vooravond van Pesach - de Joodse herdenking van de Exodus, de uittocht uit Egypte.
De hoofdrol in dit machtigste verhaal uit de Joodse geschiedenis is Mozes. Zijn vooraanstaande positie aan het hof van Farao eindigt nadat hij opkomt voor een slaaf die wordt mishandeld. Hiermee beledigt hij de Farao en hij moet vluchten naar de woestijn, waar hij een leven als eenvoudige herder leeft. Hij is een nederige man en geniet van dit rustige bestaan, totdat God zich aan hem manifesteert en hem opdraagt de waarachtige taak op zich te nemen om het Joodse volk - zijn volk - te redden uit de slavernij en weg te voeren uit Egypte. Mozes ziet op tegen deze taak. Hij blijft liever waar hij is. Wie is hij, dat hij tot deze opdracht wordt geroepen, wil hij van God weten. Hij is geen leidersfiguur, allerminst welbespraakt. Tegen wil en dank neemt hij de zware taak op zich en leidt dat drammerige volk weg van de vernedering, in de richting van het Beloofde Land. In de jaren van zijn leiderschap wordt hij regelmatig beschimpt en verraden, maar hij heeft slechts één doel voor ogen: de Goddelijke opdracht. Het Beloofde Land zal hij zelf uiteindelijk niet betreden, maar - zo besluit het boek Exodus - na hem is er nooit meer een profeet opgestaan zoals hij.

In 1993 is Miguel Pourier gepensioneerd. In de jaren daarvoor heeft hij zich opgewerkt van ambtenaar tot directeur van de ABN op de Nederlandse Antillen. Als consultant runt hij nu vanuit een onbeduidend kantoortje het kleine adviesbureau Mafas. Zijn vrije tijd brengt hij door met een stevig potje tennis en met zijn lieve vrouw Hilly en hun kinderen Darrell, Josje en Simone.
Politiek gezien rommelt het dat jaar als de Antillen afstevenen op een staatkundig referendum, waarbij alle politieke partijen optie B voorstaan: een autonoom Curaçao en de ontmanteling van de Antillen-van-vijf. Pourier ziet dit met lede ogen aan en steunt uiteindelijk een kleine non-politieke groep die zich in de media tegen de vroegtijdige opsplitsing van de Antilliaanse familie profileert. Dit geluid vindt bijval bij het publiek en in de aanloop naar het referendum ontstaat de beweging Pro Antia Restrukturá (voor een geherstructureerde Antillen). Op Miguel wordt een klemmend beroep gedaan deze te leiden. Dit is echter allesbehalve wat hij in gedachten heeft. Hij heeft er eigenlijk helemaal geen zin in. Hij weet wat dit zal betekenen. En toch doet hij wat hem wordt gevraagd. Hij zal jarenlang geen rustige dag meer kennen.

De magistrale overwinning van "zijn" optie A (een geherstructureerde Antillen) is een verhaal apart evenals de verkiezingen die daarop volgden en werden gewonnen door de inmiddels in allerijl opgerichte Partido Antia Restrukturá (PAR). Tegen wil en dank werd Miguel in 1994 "MinPres", een ambt waarin voor zijn zachtaardigheid weinig plaats was. Maar er was geen weg terug. Hij was door zijn volk geroepen om hen de weg te wijzen en in nederigheid antwoordde hij: hier ben ik, dienstbaar aan de gemeenschap.

Vanaf het moment dat ik hem in dat onstuimige jaar 1993 ontmoette, wist Miguel me te biologeren. Dat deed hij niet door prachtig taalgebruik, door fraaie gebaren of door opvallend gedrag, maar juist door zijn zachtmoedigheid, bescheidenheid en oprechtheid. Het waren eigenschappen die mij en anderen inspireerden, maar die hem - naar later bleek - een makkelijk doelwit zouden maken voor politieke machtsspelletjes en opportunisme, waar hij wars van was.

Het liep allesbehalve van een leien dakje. Ik herinner me nog de schok op die allereerste werkdag in Fort Amsterdam in 1994. Bovenop de stapel post lag een brief van de President-directeur Pieter Bouw van de KLM. Deze 40% aandeelhouder in de Antilliaanse Luchtvaartmaatschappij (de Antilliaanse regering was de andere aandeelhouder) zegde de deelname aan de joint venture op. Een mokerslag voor de al vele jaren verlies lijdende ALM, maar ook voor het aanzien van dit nieuwe kabinet-Pourier. Het was een eerste klap.
Kort hierna vroeg hij me om toe te treden tot de Raad van Commissarissen van de ALM. We zouden elkaar regelmatig spreken op het Fort in die woelige jaren die met deze benoeming ook voor mij waren aangebroken. Ik herinner me onder meer de heftige demonstratie van stakende ALM-medewerkers voor het woonhuis van Pourier en mij - hij was inmiddels mijn buurman geworden op Royal Gardens - in 1996. Ze hadden het op hem gemunt en de sfeer was grimmig. De politie had de demonstratie voor zijn huis niet zien aankomen. Dat daar geen slachtoffers zijn gevallen, mag een klein wonder heten.

Een jaar later schonk Miguel me opnieuw zijn vertrouwen: hij vroeg me om op de kieslijst van de PAR te staan voor de verkiezingen van de Eilandsraad van Curaçao. Hij plaatste me op de verkiesbare 9e positie. Met veel enthousiasme stortte ik me op dat werk. Maar de moeilijke tijden die ons familiebedrijf doormaakte, maakten het onmogelijk om me ten volle voor de PAR in te blijven zetten en in 1997 moest ik uiteindelijk voor de eigen zaak kiezen. Miguel nam korte tijd mijn vacant geworden plaats in de Eilandsraad in.

In 1998 verhuisde ik naar Nederland. Miguel  introduceerde me bij relaties op de hoogste posities in het Nederlandse bedrijfsleven. In de jaren die volgden, werd ons contact minder, maar de genegenheid bleef. Op de bruiloft van zijn dochter in 2001 praatten we bij en tijdens mijn vakanties op Curaçao zocht ik hem steevast thuis op. Mede op zijn voorspraak mocht ik in 2009 een koninklijke onderscheiding ontvangen. Mijn passie om iets te doen voor de samenleving heeft hij zeker helpen vormgeven.

In de jaren na mijn vertrek uit Curaçao volgde ik de ontwikkelingen op de Antillen nauwgezet. Ik zag hoe Miguel een onnavolgbare strijd leverde om de financieel-economische crisis van de Antillen (en andere crises) het hoofd te bieden. Dat werd hem niet alleen vanuit de Antilliaanse politieke slangenkuil onmogelijk gemaakt. De grootste klap kreeg hij te verwerken toen zijn grootste bondgenoot, de Nederlands Premier Wim Kok, hem in 2001 een dolkstoot toediende door hem te laten vallen. Nederland trok zich onverwacht terug uit het samen opgetuigde saneringsplan in het kader van het IMF. Miguel bleef als altijd een gentleman en keerde Kok de andere wang toe. Maar z'n gezondheid had gedurende deze - letterlijke - tropenjaren zwaar te lijden gehad en in 2002 verliet hij de politiek.

Voor velen die met hem zijn opgetrokken is Miguel een mentor en een groot voorbeeld geweest. Voor mij geldt dat zeker. Ik koester veel dierbare en waardevolle herinneringen aan een nobel, integer, bescheiden en dienstbaar mens, een warme persoonlijkheid, die diepe indruk op mij heeft gemaakt en die ik nooit zal vergeten.

Miguel Arcangel Pourier is gisteren op 74-jarige leeftijd overleden. Nomen est omen: Michaël, de aartsengel. Beschermer van zijn volk. Zoals Mozes een leider van zijn volk was. Want ook dat was Miguel. En nooit meer zal er één opstaan zoals hij.

Moge hij rusten in vrede.

© David Serphos

dinsdag 9 oktober 2012

Jodendom en Islam niet op één hoop bij jongensbesnijdenis*

In De Volkskrant (Ritueel) van 6 oktober (“Hoe bang mijn besnijdenis mij maakte”) komt Said El Haji tot de ontdekking dat hij schade heeft ondervonden als gevolg van zijn besnijdenis. 

Zijn behoefte aan afzondering kwam niet voort uit individualisme, weet hij nu zijn moeder hem onlangs uit de droom heeft geholpen: sinds hij twee jaar oud was, begon hij namelijk te huilen zodra hij mensen zag en dat komt doordat hij hen associeerde met de pijn die hem bij zijn besnijdenis was aangedaan.

“Voor alle duidelijkheid, ik ben zelf ook besneden en daar ben ik geenszins rouwig om. […] Ik ben volmaakt onverschillig wat mijn besneden piemel betreft. Het betekent gewoon helemaal niks. En dat is nu juist de reden dat ik bezwaar maak. Want wat heeft een ritueel voor zin als het geen betekenis heeft?”

Dat El Haji zijn zoon niet liet besnijden, zoals hij in januari uitlegde, lijkt me met deze beredenering geheel terecht. Maar waarom moet hij negen maanden later plotseling de Joden erbij halen om zijn overtuiging kracht bij te zetten?
“Onder nabestaanden van de Holocaust wordt voorhuidsbesnijdenis zelfs gezien als wraak op Hitlers poging om de joden uit te moorden.”
Hij slaat hier de plank volledig mis. Als hij de holocaust er dan toch bij wil halen (dat had een Joodse schrijver moeten proberen!), dan was het dichter bij de waarheid geweest om te stellen dat onder veel overlevenden van de holocaust de viering van het Jodendom (in al zijn verschijningsvorm, inclusief de praktijk van jongensbesnijdenis) wordt beschouwd als een overwinning op Hitlers poging het Jodendom uit te roeien. Joden zijn een volk dat mislukte uitroeiïngspogingen viert (Een bekend Joods grapje luidt:“They tried to kill us, we survived; let’s eat!”), niet een van wraak.

Ook sleept hij het Jodendom er bij de haren bij om maar aan te tonen dat Joden en Moslims van hetzelfde laken een pak zijn. Nu ben ik een groot voorstander van het benadrukken van de overeenkomsten tussen Moslims en Joden, om zo meer begrip voor elkaar te kweken.. Maar wat El Haji hier doet is misleidend. Ja, Joden en Moslims besnijden hun zonen. Maar inhoudelijk is de praktijk duidelijk anders. Op eenzelfde demagogische manier heeft men bij de Partij voor de Dieren willen stellen dat Joden en Moslims op dezelfde manier dieren slachten. In beide gevallen geldt dat de praktijk lijkt voor een leek en op het eerste gezicht hetzelfde lijkt, maar dat er inhoudelijk grote verschillen zijn.

Laat ik me in dit geval beperken tot de voorhuidsbesnijdenis:
·         Om te beginnen vindt die bij Joden plaats op de 8e dag na de geboorte. Bij Moslims gebeurt dit in de meeste gevallen als het kind ouder is en al kan praten en lopen, soms op de leeftijd van twee (zoals kennelijk bij El Haji het geval was) maar vaker op 5-, 6- of 7-jarige leeftijd of zelfs ouder.
·         Bij Joden is de jongensbesnijdenis terug te voeren op dat ene heilige boek, de Thora, waarin God aartsvader Abraham gebiedt om zichzelf te besnijden evenals zijn zonen. Voor de volgende generaties moet dat op de 8e levensdag gebeuren. Bij Moslims ligt het ingewikkelder. De verplichting om zonen te besnijden staat niet in de Koran, maar komt in mindere geschriften aan de orde. En van duidelijke tijd- en regelgeving is al helemaal geen sprake.
·         Tenslotte degene die de besnijdenis uitvoert. Binnen het traditionele Jodendom mag dit alleen gebeuren door een moheel, iemand die daartoe speciaal is opgeleid en protocollen volgt. Binnen de Islam gelden ook ten aanzien van dit punt geen strikte regels.

Het is dus zeer goed mogelijk dat El Haji pijn heeft ondervonden toen hij twee was. En ongeacht of hij er nu nog last van heeft (je zal er maar een succesvol schrijver door zijn geworden!), in zijn cultuur is het inderdaad goed mogelijk dat je je als kind goed bewust bent en blijft van dat moment. En dat je daar als volwassene twijfels over hebt. Zeker als je vindt, zoals hij, dat besnijdenis van geen enkele betekenis is.

Anders is het voor Joden gesteld met de b’rith milah. Dit betreft een gebod dat volgens het geloof direct afkomstig is van God. Uit te voeren op de 8e levensdag, wanneer een kind zich nog van niets bewust is, maar de ouders des te meer. En uitgevoerd door een deskundige. Hierin verschillen het Jodendom en de Islam dus inhoudelijk.

Laat El Haji vooral naar zijn eigen piemel kijken om te beargumenteren waarom hij zijn zoon niet heeft besneden en wat zijn moeder ervan vindt. Maar het is onnodig om anderen met oneigenlijke argumenten voor zijn karretje te spannen en af te vallen om uit te leggen waarom hij in januari nog geen last had van zijn besneden piemel en in oktober wel.

* Een verkorte versie van dit weblogbericht verscheen op 9 oktober 2012 onder de kop "Besnijden" als ingezonden stuk in De Volkskrant.

vrijdag 14 september 2012

Golf van arrestaties na afkondiging Noodtoestand op Curaçao

Van onze correspondent -- 
WILLEMSTAD - Op Curaçao zijn in de nacht van 13 op 14 september zesentwintig burgers van hun bed gelicht en in afzondering gedetineerd. Bronnen op het eiland bevestigen dat zich onder hen de leden van de oppositie bevinden die zich hebben verzet tegen het aanblijven van de voorzitter van de Staten, nadat hij in het Parlement zijn revolver had getrokken toen de leider van de oppositie een motie van wantrouwen tegen de Minister-President wilde indienen. Ook zouden enkele prominente figuren, waaronder de Deken van de Orde van Advocaten, de voorzitter van de Raad van Kerken, vier journalisten en andere hoogwaardigheidsbekleders uit het openbare leven zijn opgepakt, vanwege uitlatingen die als steun voor de oppositie kunnen worden opgevat. Allen wordt hoogverraad ten laste gelegd.

In een gezamenlijke persconferentie die om 08:00 uur werd opgeroepen door de parlementsvoorzitter Asbak en de Premier Afschot, verklaarden zij dat de Minister van Justitie Niksnut tot deze actie heeft besloten na een driehoeksoverleg, die in unanimiteit werd afgesloten. "De aangehouden personen zijn al enige tijd bezig het volk op te ruien en een complot te smeden waardoor zij inmiddels als staatsgevaarlijk worden beschouwd. Op hen zal snelrecht worden toegepast. Deze mogelijkheid hebben wij gecreëerd door een uur geleden de Noodtoestand af te kondigen, die - evenals een avondklok - van kracht is voor de hele bevolking, met uitzondering van enkele honderden personen die door ons als zuiver zijn aangemerkt en die ons bij zullen staan in deze moeilijke periode. De dagbladen Amigoe en AD hebben om begrijpelijke redenen een verschijningsverbod opgelegd gekregen. De hoofdredacteuren hebben huisarrest. Bij Tele-Curaçao is een regeringscensor aangewezen die de uitzendingen zal toetsen op hun inhoud."

In de straten van Willemstad is het inmiddels angstvallig stil geworden. Knokploegen gekleed in uniformen van particuliere beveiligingsbedrijven patrouilleren in Punda en in in de wijken Mahaai, Janthiel en Jan Sofat, waar volgens regeringswoordvoerders "haarden van politiek verzet" actief zijn. Het afgekondigde samenscholingsverbod en vergaderverbod is volgens dezelfde woordvoerders "een effectief middel tegen het smeden van couppogingen".

In het Fort Amsterdam, waar in het voormalige Gouverneurspaleis nog geen zes maanden geleden de Nederlandse driekleur voor het laatst werd gestreken, werd na de afkondiging van de Noodtoestand druk overleg gevoerd tussen de leiders van de coalitiepartijen, die al snel overeenstemming bereikten over het functioneren van de Staten tijdens de noodtoestand. Door het buiten werking stellen van de Landsregeling, is de mogelijkheid gecreëerd om de Staten uit te breiden met zo veel leden van de coalitiepartijen als nodig is om de opengevallen zetels te kunnen vullen. "Hierdoor kunnen de Staten optimaal en volledig democratisch blijven functioneren", aldus Asbak.

Voormalig Gouverneur Kwaadsteniet, liet vanuit zijn woonplaats Den Haag weten dat hij de ontwikkelingen die zich op Curaçao voordoen in zijn stoutste dromen niet had kunnen voorstellen. "Toen zich tijdens mijn ambtsperiode eens een minste vorm van staatsrechtelijk carnaval dreigde voor te doen, heb ik meteen alle middelen ingezet om de democratie te garanderen. Als Gouverneur had ik de plicht - ook moreel, als vertegenwoordiging van de Kroon - om alles te doen en niets na te laten om de integriteit van het land te waarborgen. Ik zou mij diep schamen wanneer de rechtsorde op een dergelijke wijze zou worden geschaad tijdens mijn ronde."

Rond het Binnenhof wordt laconiek gereageerd op de jongste ontwikkelingen in het voormalige Caribisch stukje Nederland. "Al sinds de onafhankelijkheid van Suriname wisten wij dat Curaçao de komende decennia nog niet rijp zou zijn voor onafhankelijkheid. De democratie is nog onvoldoende verankerd en de invloed van dictaturen rond het Caribisch Gebied is nu eenmaal groot", aldus een hoge ambtenaar. Andere bronnen die eveneens anoniem willen blijven, menen dat Curaçao zijn verdiende loon krijgt. "Het is zielig voor de 'hendenan drechi' [nette mensen, red.] op het eiland, maar zij zijn allemaal stil gebleven toen ze de boel nog konden redden. Men koos er echter voor om corrupt tuig de ruimte te geven als machtswellustelingen te ontplooien."

In de spaarzame Facebook- en SMS-berichten die nog vanuit het eiland worden verzonden, tekent zich de angst af voor het lot van de gearresteerde "staatsvijanden". Eén eilandbewoner postte de noodkreet "Holland help!" maar het account van die gebruiker bleek enkele uren later te zijn gesloten.


zaterdag 25 augustus 2012

Bananenrepubliek - of: Curaçao, quo vadis?

Mensen die mij langer dan - pakweg - 15 jaar kennen, weten dat ik een eerder leven had voordat ik in 1998 met mijn gezin naar Nederland terugkeerde. Op Curaçao bestuurde ik met twee van mijn broers de "Ritz" een groot - door onze grootouders opgericht - productiebedrijf dat meer dan 50 jaar de heerlijkste ijsjes en vruchtensappen van het eiland maakte. Maar ook op andere fronten was ik nogal een druk baasje. Zo raakte ik naar aanleiding van een wekelijkse column die ik voor de Beurs- en Nieuwsberichten schreef, in 1993 betrokken bij de oprichting van een politieke partij, de PAR, die in 1994, enkele maanden na de oprichting, de grootste verkiezingsoverwinning in de Antilliaanse geschiedenis behaalde en regeringsverantwoordelijkheid ging dragen. Mijn politieke mentor en latere buurman, Miguel Pourier, werd Minister-President. Een jaar later vroeg hij me op de kieslijst voor de verkiezingen van de Eilandsraad te gaan staan en zo werd ik in juni 1995 lid van het Curaçaose parlement, de voorloper van wat nu de Staten van Curaçao heet. En over die Staten wil ik het graag even hebben.

"Mijn" toenmalige partij, de PAR, heeft tussen 1994 en 2010 bijna onafgebroken geregeerd. Na Pourier, hebben Etienne Ys en Emily de Jongh-Elhage als premier de Antillen kundig bestuurd. En ondanks dat ze de grootste partij waren, verhinderde een gelegenheidscoalitie in 2010 de PAR na de opsplitsing van de Antillen op 10-10-10 om in de regering terug te keren. In het anderhalf jaar sindsdien is de kwaliteit van de Curaçaose politiek met rasse schreden achteruit gegaan. Het hoofd van de Veiligheidsdienst (die niet alle kandidaat-ministers woor hun post wilde goedkeuren) en andere onwelgevallige topambtenaren werden ontslagen. Er loopt een justitieel onderzoek tegen de Minister van Financiën, Nederland heeft het eiland onder financiële curatele gesteld en enkele weken geleden liepen - net als in Nederland - parlementariërs van coalitiepartijen weg en verloor de coalitie zijn meerderheid in de Staten (de Curaçaose Tweede Kamer). Premier Schotte schreef nieuwe verkiezingen uit en sindsdien is zijn kabinet demissionair.

Oppositiepartijen - waaronder de PAR - proberen nu in de Staten een motie van wantrouwen in te dienen tegen ministers in het Kabinet-Schotte om zodoende te bewerkstelligen dat zij nog voor de verkiezingen van het toneel verdwijnen. Deze week gaf Statenvoorzitter Ivar Asjes (van de coalitiepartij PS) er tot twee keer toe blijk van het niet zo nauw te nemen met de parlementaire democratie op het eiland.  Statenlid Marilyn Alcala-Wallé, die tijdens de eerste Statenvergadering na het zomerreces de motie van wantrouwen aan de orde wilde stellen, werd met sterke arm uit de Statenzaal verwijderd. Vervolgens verklaarde Asjes dat de Staten waren "ontbonden" en dat hij niet zou meewerken aan een "staatsgreep" door een dergelijke motie te behandelen. Hij beriep zich daarbij op de reglementen en het advies van zijn hoofd Juridische Zaken. Voor de duidelijkheid: het parlement is sinds de val van het kabinet iedere kans ontnomen om in vergadering bijeen te komen.

Feitelijk is het Statenvoorzitter Asjes die hier een staatsgreep heeft gepleegd. Niet alleen heeft hij het hoogste gezag - het parlement - monddood gemaakt, hij heeft daarbij oneigenlijke middelen gebruikt. Hij liegt ook over de status van de Staten. Deze zijn helemaal niet ontbonden. Het kabinet heeft besloten de Staten te zullen gaan ontbinden, hetgeen de vorm is om verkiezingen uit te schrijven. Het parlement is feitelijk pas ontbonden wanneer de nieuw gekozen Staten in functie is. Tot die tijd hebben de huidige Staten dezelfde rechten als voordat het Kabinet-Schotte demissionair werd. Dit Kabinet is als gevolg van zijn demissionaire status wèl beperkt in zijn bevoegdheden en mag tot aan de verkiezingen alleen over dringende zaken beslissen. Het is niet anders dan in Nederland momenteel het geval is.

Terwijl Asjes schermt met de leugen dat de Staten zijn ontbonden, blijft het op het eiland stil. Dat wil zeggen, Statenleden van de oppositie morren wel en ook de invloedrijke Vereniging Bedrijfsleven Curaçao spreekt schande van de situatie, maar voor het overige is het vooral stil. De feitelijke coup van Asjes - die zijn vriendjes in het Kabinet probeert te behoeden voor een nog vroegere exit - wordt stilletjes geaccepteerd alsof het een normaal instrument is dat hij hanteert om de democratie stil te leggen. Terwijl zijn acties niets minder zijn dan een verkrachting van die democratie en van de rechtsorde op het eiland. De man zou moeten worden aangehouden wegens het plegen van de staatsgreep die hij zo listig zegt te willen voorkomen. Waarom start niemand op Curaçao een kort geding om de democratische werking van het parlement te garanderen? Waar zijn de geleerden en de slimmeriken, die ik weet dat het eiland rijk is?

Het antwoord is dat op dit moment de angst op Curaçao regeert. Op 19 oktober a.s. worden verkiezingen gehouden en de eilandbewoners hopen dat daarmee een einde komt aan de politieke terreur, het nepotisme  en de bestuurlijke wandaden die Schotte en zijn kompanen in anderhalf jaar tijd hebben weten aan te richten, waardoor het eiland weer 20 jaar terug is in de tijd. Het bevechten van mensen als Asjes zou wel eens een lont in het kruitvat kunnen zijn waar iedereen sinds de onlusten van 30 mei 1969 (de dag van revolte en brandstichting die een sociale en politieke omwenteling voor het eiland betekende) zo bang voor is. Het te hard uiten van de boosheid die er onder de bevolking leeft, kan wel eens een herhaling van die onlusten tot gevolg hebben, zo vreest men, en dat wil niemand op zijn geweten hebben.

En dus verkeert Curaçao momenteel in de wurggreep van populistische despoten. Voer voor Nederlandse skeptici en de engerds van de PVV om het eiland te omschrijven als een bananenrepubliek. En onder deze omstandigheden kan ik ze geen ongelijk geven. Jarenlang heb ik me geërgerd aan die term, die onder het premierschap van integere mensen als Pourier, Ys en de Jongh-Elhage geen recht deed aan de positieve koers die werd gevaren om de Antillen op eigen benen te laten staan. Maar vandaag concludeer ik dat de angst die op Curaçao leeft, het eiland inderdaad heeft gemaakt tot een ware bananenrepubliek.

Aan mijn vrienden op Curaçao zeg ik: sta op en laat niemand de democratie die we geërfd hebben van Nederland en waar we ons jarenlang voor hebben ingezet, in zo'n korte tijd - nee, nooit! - te grabbel gooien.