Ik voel me somber en verdrietig. En boos. Nee, woedend. Op Jozias van Aartsen.
Nooit eerder heb ik het gevoel gehad onveilig te zijn in Nederland. Ja, natuurlijk is dat gevoel voor een onzichtbare vijand er altijd geweest, als kind op de met een hek beveiligde Joodse school en toen ik enkele dagen na 9/11 in een vliegtuig stapte, maar sinds gisteren is er iets veranderd. De vijand is niet meer onzichtbaar. Hij en nog honderd maatjes konden gisteren in Den Haag tijdens een demonstratie vrijuit roepen dat Joden dood moeten.
Dat doel, in verschillende kromme zinsconstructies uitgeschreeuwd, is gisteren gehoord door verschillende aanwezige journalisten. Zelfs de NOS heeft het durven melden. Toch verklaarde burgemeester Van Aartsen vandaag dat de aanwezige politie geen grensoverschrijdend gedrag heeft waargenomen. Dat kan betekenen dat de aanwezige dienders doof waren, maar aannemelijker lijkt het dat het scanderen van puur antisemitische en levensbedreigende taal voor Van Aartsen binnen de grenzen van het betamelijke valt. Hij laat het verder aan het OM over om te bepalen of er misschien toch dingen zijn gezegd die strafbaar zijn. Feit is dat Van Aartsen zelf te laf is geweest om op te treden tegen de vrienden van de Jihad en van ISIS, ontegenzeglijk de bloedigste en meest moorddadige schoften die vandaag deze aarde bevolken. Iemand met knikkende knieën zou niet de eerste burger van de stad van vrede en recht - bovendien de stad waar de regering zetelt - moeten zijn.
Van Aartsen laat in het gunstigste geval de verdenking op zich bang te zijn voor het tuig dat hij een demonstratievergunning heeft gegeven. In het ongunstige geval is hij iemand die het oproepen tot het doden van Joden en misschien wel die daad zelf niet zo ernstig vindt. Vorige week dronk hij - na een eerdere demonstratie met antisemitische elementen -een kopje koffie met vertegenwoordigers van het Centraal Joods Overleg en het CIDI, waarin hij aangaf dat er voor antisemitisme geen ruimte is in Den Haag. En dat brengt me tot de derde mogelijkheid: de man kan bang zijn voor haatzaaiers, maar niet voor een leugentje.
In alle drie de gevallen moet hij gedwongen worden op te stappen. Met zulke vrienden heeft het openbaar bestuur in Nederland geen vijanden nodig.
© David Serphos
vrijdag 25 juli 2014
maandag 2 juni 2014
Open brief aan Minister Opstelten
![]() |
| Het moment van de terroristische aanslag op het Joods Museum in Brussel, waarbij 4 personen de dood vonden. |
De vermoedelijke dader van de aanslag op het Joods Museum in Brussel is aangehouden. “Zie je wel”, hoor ik u denken. “Niets aan de hand. Er is in Nederland geen sprake van terreurdreiging en al helemaal niet op Joodse doelen.”
Heeft u zich wel eens afgevraagd waarom er in Nederland (godzijdank) nog nooit een aanslag heeft plaatsgevonden? Dat komt omdat sinds het begin van de jaren ’70 de Joodse gemeenschap de eigen beveiliging zeer consciëntieus heeft genomen. Wij (ik was 9 toen het eerste hek rond Rosj Pina werd gebouwd) en onze kinderen hebben ermee moeten leren leven. We hebben ons met z’n allen er blauw aan betaald, maar het was het ons waard. Bewakers voor de scholen, voor de synagogen, mee op schoolreisjes en op onze feesten en partijen.
Het is niet verbazingwekkend dat de aanslag in Brussel plaatsvond waar deze plaatsvond. Er was geen bewaking. Terroristen zoeken nu eenmaal de weg van de minste weerstand. Het is juist ómdat wij onze gemeenschap bewaken en óndanks het feit dat u het als minister niet nodig vindt om daar uw verantwoordelijkheid in te nemen, dat het bij ons tot nu toe rustig is gebleven.
De vermoedelijke dader van de aanslag in Brussel is een teruggekeerde Jihad-strijder. De Franse autoriteiten hielden hem in de gaten. De Belgische niet en de Nederlandse ook niet. Dat is beangstigend, want terroristen respecteren geen landsgrenzen. Hij is ook niet aangehouden omdát hij in de gaten werd gehouden, maar omdat er een drugscontrole plaatsvond op bussen afkomstig uit Nederland. Stom toeval en niets met opsporingswerk te maken.
U probeert ons wijs te maken dat er in Nederland geen sprake is van acute terreurdreiging en al helemaal niet op Joodse doelen. Feit is dat u dat helemaal niet weet en de AIVD evenmin. Want zelfs als we al wisten wie de potentiële terroristen waren, dan nog beschikken we niet over de middelen om ze in de gaten te houden. Niet in Nederland en al helemaal niet in Europees verband. Dat heeft de Brusselse aanslag maar even bewezen.
U komt pas in actie als ook in Nederland (God verhoede) het kalf zal zijn verdronken. In de tussentijd probeert u ons te sussen met uw “Ga maar rustig slapen, hier is niets aan de hand,” een mantra die u alleen maar kunt volhouden omdat en zolang de Joodse gemeenschap doet wat de landelijke overheid zou moeten doen: mensen beschermen tegen terreur. In die zin helpen wij u aan een self-fulfilling prophecy. U kunt rustig gaan slapen terwijl onze bewakers de wacht houden.
Geen dank.
© David Serphos
________________
Naschrift 6 juni 2014:
http://nos.nl/artikel/657421-extra-beveiliging-joodse-gebouwen.html
Labels:
beveiliging,
Brussel,
Jihad,
Joods,
Opstelten,
terreur,
terrorisme,
veiligheid
maandag 10 februari 2014
"Pas goed op m'n knikkers totdat ik weer terug kom."
Vorige week werden knikkers
die ooit van Anne Frank zijn geweest wereldnieuws. Ze worden tentoongesteld in de Kunsthal
Rotterdam. Een vroeger buurmeisje van Anne aan het Merwedeplein had het blik met knikkers
van de kleine Anne gekregen kort voordat de familie Frank in onderduik ging. “De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen” heet de
tentoonstelling, die is samengesteld door programmamaker/journalist Ad van Liempt. Het
knikkerblik is daar één van. Hoe verzin je het.
Dat zelfs CNN en The Washington Post aandacht hadden voor de knikkers
is niet verwonderlijk. Anne Frank is een wereldmerk geworden en het Anne Frankhuis trekt dagelijks duizenden bezoekers die de boekenkast, het dagboek en de plaatjes van filmsterren in haar slaapkamer komen bekijken. Ik ben een groot voorstander van het achterhuis als museum. Het laat zien wat de onderduik betekende voor Joden, voor een Joodse puber, met dromen en ideeën over later. De onderduik van mijn vader - een jaar jonger dan Anne - versterkt de sympathie die ik voor het educatieve idee achter dit museum voel. Hoe meer mensen in de rij op de Prinsengracht, hoe beter dat is.
Ook Van Liempt moet zich hebben afgevraagd hoe hij zo veel mogelijk publiek naar
de Kunsthal kon trekken met een canon van 100 voorwerpen. Een gegarandeerd succes: speelgoed dat ooit door Anne Frank is aangeraakt. Als één van de 100 voorwerpen over de Tweede Wereldoorlog. Het is jammer dat ze voor dit doel worden gebruikt. Het verheffen van een blik met knikkers tot een relikwie, zoals Van Liempt met de zegen van de Anne Frank Stichting doet, is ongepast en doet afbreuk aan zowel de nagedachtenis van Anne Frank als aan een goede educatie over de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvervolging.
Er zijn mensen die mij zullen toewerpen dat het goed is dat kinderen dankzij deze knikkers kunnen zien dat Anne een gewoon meisje was. En dat is zo; het Anne Frank Huis staat vol met voorwerpen waaraan je dat kan zien en daar horen ze thuis. Maar de tentoonstelling in de Kunsthal Rotterdam is van een geheel andere orde. Die gaat over de bezetting, over niemand in het bijzonder, dus ook niet over Anne Frank. De knikkers laten niet de essentie zien van de Tweede Wereldoorlog en al zeker niet hoe wreed de georganiseerde en systematische vervolging van Joodse medeburgers was.
Ik zag deze foto waarop Koning Willem-Alexander met een soort verplichte eerbied kijkt naar het blik met
knikkers. Wat moet je anders. Knikkers waar jonge bezoekertjes echter met andere ogen naar zullen kijken: "Dus dát was de Tweede Wereldoorlog. Wát een mooie knikkers had Anne Frank." Een grote misser.
Als ik een tentoonstelling moest maken van 100 voorwerpen die de Tweede Wereldoorlog voelbaar zouden moeten maken voor jong en oud en ik zou daar Anne Frank een rol in willen geven, dan zou ik kiezen voor een uniform van de politie, die zo veel Annes van huis haalde, of een bordje van tramlijn 8, die niet-ondergedoken Joden uit de omgeving van het Merwedeplein na een razzia naar de Hollandsche Schouwburg vervoerde, of een plankje van de NS-trein die ze van daaruit naar Westerbork transporteerde. Dát zijn dode voorwerpen die laten zien wat de Tweede Wereldoorlog echt met kinderen heeft gedaan. En als je dan toch Anne's knikkerblik wil tentoonstellen, laat het dan symbool staan voor de talloze zilveren bestekken, tafelkleden, juwelen, antieke boeken en schilderijen die Joodse burgers aan hun buren in bewaring gaven... voor wanneer zij weer zouden terugkeren. Voorwerpen die vele Nederlanders - de goeden niet te na gesproken - vandaag nog in huis hebben of via Marktplaats te gelde proberen te maken.
Labels:
achterhuis,
Anne,
AnneFrank,
Frank,
Hollandsche Schouwburg,
Joden,
knikkerblik,
knikkers,
Kunsthal,
Liempt,
Marktplaats,
Merwedeplein,
onderduik,
politie,
relikwie,
Spoorwegen,
tram,
Tweede Wereldoorlog,
Westerbork
woensdag 4 december 2013
Eerlijk zeggen: wat ziet u?
Wie langs het Olympisch Stadion in
Amsterdam loopt of rijdt, ziet daar een standbeeld van een atleet die met
uitgestrekte arm, de vingers tegen elkaar, staat afgebeeld. Elke keer weer
krijg ik er een onbehaaglijk gevoel bij. Deze week werd ik door een toerist
gevraagd waarom er op die plek een standbeeld staat van iemand die de
Hitlergroet uitbrengt. Leg het maar eens uit.
Het
beeld werd in 1928 door de Nederlandse beeldhouwster Gerharda Rueb vervaardigd
en verwelkomt de bezoekers met wat weinigen zullen herkennen als de Olympische
groet (the Olympic salute). In 1936 zorgde deze groet nog voor de nodige
verwarring, toen tijdens de Olympische Spelen de Franse atleten bij binnenkomst
in het stadion van Berlijn deze groet uitbrachten. Cineaste Leni Riefenstahl
gebruikte de beelden vervolgens in de Nazi-propagandafilm Olympia (1938) waarin het leek
alsof de sporters de Hitlergroet uitbrachten. De groet en de manier waarop deze
wordt uitgebracht is nagenoeg identiek.
Vandaag
nog is de Olympische groet een officieel symbool van de Olympische Spelen. Het
Internationaal Olympisch Comité heeft de groet namelijk nooit afgedankt. Het
behoort, net als de Olympische vlag met de 5 ringen, de vlam en het Olympische motto
(Citius, Altius, Fortius – sneller, hoger, sterker) tot de officiële symbolen van de Spelen.
Na de Tweede
Wereldoorlog is de Olympische groet om begrijpelijke redenen in
onbruik geraakt. Maar anno 2014 zou het zomaar kunnen dat sporters,
aangemoedigd door het land waar zij voor uitkomen, deze groet herintroduceren.
En het Olympisch Comité zal daar niets tegen kunnen doen. Het is dat Mahmoud Ahmadinejad
niet meer de scepter zwaait over Iran, maar een willekeurige holocaustontkenner
als hij zou het in zijn hoofd kunnen halen om deze verwarrende heilsgroet te
laten uitbrengen. En wat vinden we daar dan met z’n allen van? Het kalf zal dan
al zijn verdronken.
Met de
Olympische Winterspelen in Sotsji in aantocht, roep ik het Nederlands Olympisch
Comité op om zich bij het IOC in te zetten voor het opheffen van de Olympische
groet als officieel symbool van de Olympische Spelen. Tegelijkertijd roep ik de
Gemeente Amsterdam en het Stadsdeel Zuid op om het fraaie standbeeld van Gra Rueb
een nieuwe bestemming te geven - bijvoorbeeld een museum – waar het met respect
en de nodige uitleg kan worden tentoon gesteld. Op de plaats waar het nu staat
roept het – misschien ten onrechte, maar niettemin - bij veel Amsterdammers en
toeristen vooral associaties op met de zwartste periode in onze moderne
geschiedenis.
zaterdag 29 juni 2013
Het Midden-Oosten conflict: Barbra Streisand & Mohamed Assaf
![]() |
| Dit weblogartikel verscheen als gastcolumn in het Nieuw Israelitisch Weekblad (NIW) van 28 juni 2013 |
In mijn kringen lopen de
meningen al jaren uiteen of je openlijk kritiek mag uiten op “Israël” (een
breed begrip dat alles omvat van het veiligheidshek tot aan de oorsprong van choemoes). Of zelfs kritiek mag hebben op de Joodse gemeenschap. Onder ons is dat
helemaal geen issue, want dan zijn de verbale messen meestal vlijmscherp geslepen.
Zelfs onder mijn eigen twee kinderen is zowel op Midden-Oosten gebied als ten
aanzien van Joods Nederland de havik van de duif te onderscheiden. En al heb ik
zelf nooit om een mening verlegen gezeten, ik ben misschien wat genuanceerder
dan deze twee studerende vogelsoorten.
Onder mijn kennissen en
Twittervolgers wordt die nuance - die ik niet alleen in klein gezelschap, maar ook
naar buiten toe uitdraag - me niet bepaald in dank afgenomen. Een bericht op
Twitter waarin ik begrip toon voor de Palestijnse zaak of waarin ik afstand
neem van een prominente Joodse Nederlander, leidt steevast tot emails en
telefoontjes ter rechterzijde van het Joods/Israël-spectrum. En dat is inclusief
een aanzienlijke groep volgers uit de Gelderse Vallei en de Veluwe, die in
dergelijke kritiek de toorn van de Almachtige vrezen. Andersom garandeert een
steunbetuigende tweet aan het adres van een stukje Israelisch regeringsbeleid
of voor het behoud van de jongensbesnijdenis in Nederland meteen een tirade van
“links” (waaronder begrepen dierenactivisten en de achterban van Een Weinig
Joods Geluid).
Thuis is zoals gezegd de
kritiek niet mals. “Moest je daar zo nodig iets over tweeten?” wordt me met
regelmaat gevraag op vrijdagavond, wanneer we heerlijk aan het Sjabbesdiner
zitten. En dan moet ik me linksom of rechtsom – maar meestal simultaan –
verantwoorden en verdedigen richting eerder bedoelde havik en duif. Goddank
daarvoor, want ik geniet van die scherpe geesten die aan nuance geen enkele
boodschap hebben. Wel ben ik benieuwd hoe zij over 25 jaar hierop zullen terugkijken.
Ik hoop het ze te kunnen vragen.
Over slechts één onderwerp
- waarover ik ook al zéér genuanceerd dacht – heb ik me echter onder druk van
mijn vrienden- en kennissenkring overgegeven aan een ietwat extreme opvatting:
Barbra Streisand.
Eerder deze maand
bezocht ik haar concert in Amsterdam en ik vond het – hoe zal ik het zeggen –
matig. Maar wie van de tientallen bekenden ik die avond en sindsdien ook
tegenkwam vond het “fantastisch” of zelfs “de beste avond van m’n leven”. Ik
kan dat nog steeds niet goed uitleggen. Komt het omdat ze € 200 - € 500 de man
hebben neergeteld voor een kaartje en niet willen toegeven dat het een slechte
deal was? Of was het omdat je La Streisand niet openlijk mag bekritiseren? Ik
denk dat het dit laatste is. Kritiek op deze postergirl van Joodse trots, komt simpelweg
neer op niet minder dan Jüdische Selbsthaß.
Hoe het ook zij, na een
eerste voorzichtige kritische noot die mij jarenlange vriendschappen dreigde te
kosten, heb ik alsnog mijn publieke mening bijgesteld. Wat ik nu vind van
Barbra? Het concert was geweldig! Fantastisch! Uniek! En in samenhang met haar
optreden voor President Peres in Israël was het ook voor mij achteraf bezien misschien
wel “de beste avond van m’n leven”. Laat ik vooral niemand horen zeggen dat
Barbra’s 70-jaar oude stem suboptimaal was tijdens dat historische optreden. Nee,
wie geen emmer tranen heeft gelaten bij het horen van Barb’s vertolking van het
Hatikwa en het Avinoe Malkenoe, kan gewoon niet anders dan een
vijand van Israël en van het Joodse volk zijn. Daar zijn we het hopelijk over
eens onder het uiteenlopende lezerspubliek van het NIW.
In dat opzicht begrijp
ik de uitbraak van euforie in Gaza en op de Westbank heel goed nu het afgelopen
weekeinde een Gazaanse Palestijn de Arabische versie van Idols heeft gewonnen.
Of je als Palestijn nu achter Hamas staat of van Fatah-huize bent, wat je ook
denkt over Abbas, Fayyad of de nogal snel opgestapte Hamdallah, sinds enkele
dagen staat iedere Palestijn vierkant achter het jonge symbool van de
Palestijnse toekomst: Mohamed Assaf. De diplomatieke status die hij van de
UNRWA heeft gekregen, toont aan dat interne politieke meningsverschillen
verdwijnen zodra een muzikale ster is geboren.
Politiek gezien is het Israelisch-Palestijnse
vraagstuk zo ingewikkeld dat een vreedzame oplossing alleen kan worden bereikt
door ware profeten van onze tijd, die zich naar mijn weten nog niet hebben geopenbaard.
Iedere opvatting over het gelijk aan de ene zijde is gedoemd te sneuvelen in
het geweld van het gelijk ten andere zijde. Ook met twitteren gaan we er niet
komen. Ik zeker niet, want nuance is fijn, maar als je de ander niet recht in
de ogen kunt kijken, ga je er niet ver mee komen.
Nee, het Midden-Oosten
conflict zou misschien het best een schokimpuls kunnen worden gegeven door een
duet van Barbra en Mohamed te organiseren ergens onder een olijfboom in
Jeruzalem. Ik zal de eerste zijn die daar (weer) € 200 per kaartje aan
uitgeeft. En wie niet bij voorbaat durft te beamen dat dit het mooiste zal zijn
dat we in ons leven kunnen meemaken, is op mijn Twitter timeline niet welkom,
want – dat mag duidelijk zijn - geen vriend van de vrede.
zondag 24 maart 2013
In Memoriam: Miguel Arcangel Pourier (1938-2013)
Het is de vooravond van Pesach - de Joodse herdenking van de Exodus, de uittocht uit Egypte.In 1993 is Miguel Pourier gepensioneerd. In de jaren daarvoor heeft hij zich opgewerkt van ambtenaar tot directeur van de ABN op de Nederlandse Antillen. Als consultant runt hij nu vanuit een onbeduidend kantoortje het kleine adviesbureau Mafas. Zijn vrije tijd brengt hij door met een stevig potje tennis en met zijn lieve vrouw Hilly en hun kinderen Darrell, Josje en Simone.
Politiek gezien rommelt het dat jaar als de Antillen afstevenen op een staatkundig referendum, waarbij alle politieke partijen optie B voorstaan: een autonoom Curaçao en de ontmanteling van de Antillen-van-vijf. Pourier ziet dit met lede ogen aan en steunt uiteindelijk een kleine non-politieke groep die zich in de media tegen de vroegtijdige opsplitsing van de Antilliaanse familie profileert. Dit geluid vindt bijval bij het publiek en in de aanloop naar het referendum ontstaat de beweging Pro Antia Restrukturá (voor een geherstructureerde Antillen). Op Miguel wordt een klemmend beroep gedaan deze te leiden. Dit is echter allesbehalve wat hij in gedachten heeft. Hij heeft er eigenlijk helemaal geen zin in. Hij weet wat dit zal betekenen. En toch doet hij wat hem wordt gevraagd. Hij zal jarenlang geen rustige dag meer kennen.
De magistrale overwinning van "zijn" optie A (een geherstructureerde Antillen) is een verhaal apart evenals de verkiezingen die daarop volgden en werden gewonnen door de inmiddels in allerijl opgerichte Partido Antia Restrukturá (PAR). Tegen wil en dank werd Miguel in 1994 "MinPres", een ambt waarin voor zijn zachtaardigheid weinig plaats was. Maar er was geen weg terug. Hij was door zijn volk geroepen om hen de weg te wijzen en in nederigheid antwoordde hij: hier ben ik, dienstbaar aan de gemeenschap.
Vanaf het moment dat ik hem in dat onstuimige jaar 1993 ontmoette, wist Miguel me te biologeren. Dat deed hij niet door prachtig taalgebruik, door fraaie gebaren of door opvallend gedrag, maar juist door zijn zachtmoedigheid, bescheidenheid en oprechtheid. Het waren eigenschappen die mij en anderen inspireerden, maar die hem - naar later bleek - een makkelijk doelwit zouden maken voor politieke machtsspelletjes en opportunisme, waar hij wars van was.
Het liep allesbehalve van een leien dakje. Ik herinner me nog de schok op die allereerste werkdag in Fort Amsterdam in 1994. Bovenop de stapel post lag een brief van de President-directeur Pieter Bouw van de KLM. Deze 40% aandeelhouder in de Antilliaanse Luchtvaartmaatschappij (de Antilliaanse regering was de andere aandeelhouder) zegde de deelname aan de joint venture op. Een mokerslag voor de al vele jaren verlies lijdende ALM, maar ook voor het aanzien van dit nieuwe kabinet-Pourier. Het was een eerste klap.
Kort hierna vroeg hij me om toe te treden tot de Raad van Commissarissen van de ALM. We zouden elkaar regelmatig spreken op het Fort in die woelige jaren die met deze benoeming ook voor mij waren aangebroken. Ik herinner me onder meer de heftige demonstratie van stakende ALM-medewerkers voor het woonhuis van Pourier en mij - hij was inmiddels mijn buurman geworden op Royal Gardens - in 1996. Ze hadden het op hem gemunt en de sfeer was grimmig. De politie had de demonstratie voor zijn huis niet zien aankomen. Dat daar geen slachtoffers zijn gevallen, mag een klein wonder heten.
Een jaar later schonk Miguel me opnieuw zijn vertrouwen: hij vroeg me om op de kieslijst van de PAR te staan voor de verkiezingen van de Eilandsraad van Curaçao. Hij plaatste me op de verkiesbare 9e positie. Met veel enthousiasme stortte ik me op dat werk. Maar de moeilijke tijden die ons familiebedrijf doormaakte, maakten het onmogelijk om me ten volle voor de PAR in te blijven zetten en in 1997 moest ik uiteindelijk voor de eigen zaak kiezen. Miguel nam korte tijd mijn vacant geworden plaats in de Eilandsraad in.
In 1998 verhuisde ik naar Nederland. Miguel introduceerde me bij relaties op de hoogste posities in het Nederlandse bedrijfsleven. In de jaren die volgden, werd ons contact minder, maar de genegenheid bleef. Op de bruiloft van zijn dochter in 2001 praatten we bij en tijdens mijn vakanties op Curaçao zocht ik hem steevast thuis op. Mede op zijn voorspraak mocht ik in 2009 een koninklijke onderscheiding ontvangen. Mijn passie om iets te doen voor de samenleving heeft hij zeker helpen vormgeven.
In de jaren na mijn vertrek uit Curaçao volgde ik de ontwikkelingen op de Antillen nauwgezet. Ik zag hoe Miguel een onnavolgbare strijd leverde om de financieel-economische crisis van de Antillen (en andere crises) het hoofd te bieden. Dat werd hem niet alleen vanuit de Antilliaanse politieke slangenkuil onmogelijk gemaakt. De grootste klap kreeg hij te verwerken toen zijn grootste bondgenoot, de Nederlands Premier Wim Kok, hem in 2001 een dolkstoot toediende door hem te laten vallen. Nederland trok zich onverwacht terug uit het samen opgetuigde saneringsplan in het kader van het IMF. Miguel bleef als altijd een gentleman en keerde Kok de andere wang toe. Maar z'n gezondheid had gedurende deze - letterlijke - tropenjaren zwaar te lijden gehad en in 2002 verliet hij de politiek.
Voor velen die met hem zijn opgetrokken is Miguel een mentor en een groot voorbeeld geweest. Voor mij geldt dat zeker. Ik koester veel dierbare en waardevolle herinneringen aan een nobel, integer, bescheiden en dienstbaar mens, een warme persoonlijkheid, die diepe indruk op mij heeft gemaakt en die ik nooit zal vergeten.
Miguel Arcangel Pourier is gisteren op 74-jarige leeftijd overleden. Nomen est omen: Michaël, de aartsengel. Beschermer van zijn volk. Zoals Mozes een leider van zijn volk was. Want ook dat was Miguel. En nooit meer zal er één opstaan zoals hij.
Moge hij rusten in vrede.
© David Serphos
dinsdag 9 oktober 2012
Jodendom en Islam niet op één hoop bij jongensbesnijdenis*
In De Volkskrant (Ritueel) van 6 oktober (“Hoe bang mijn besnijdenis mij
maakte”) komt Said El Haji tot de ontdekking dat hij schade heeft ondervonden
als gevolg van zijn besnijdenis.
Zijn behoefte aan afzondering kwam niet voort
uit individualisme, weet hij nu zijn moeder hem onlangs uit de droom heeft
geholpen: sinds hij twee jaar oud was, begon hij namelijk te huilen zodra hij
mensen zag en dat komt doordat hij hen associeerde met de pijn die hem bij zijn
besnijdenis was aangedaan.
In De Volkskrant (Opinie) van 14 januari van dit jaar schreef hij nog:
“Voor
alle duidelijkheid, ik ben zelf ook besneden en daar ben ik geenszins rouwig om.
[…] Ik ben volmaakt onverschillig wat mijn besneden piemel betreft. Het
betekent gewoon helemaal niks. En dat is nu juist de reden dat ik bezwaar maak.
Want wat heeft een ritueel voor zin als het geen betekenis heeft?”
Dat El Haji zijn zoon niet liet besnijden, zoals hij in
januari uitlegde, lijkt me met deze beredenering geheel terecht. Maar waarom
moet hij negen maanden later plotseling de Joden erbij halen om zijn
overtuiging kracht bij te zetten?
“Onder nabestaanden van de Holocaust wordt voorhuidsbesnijdenis
zelfs gezien als wraak op Hitlers poging om de joden uit te moorden.”
Hij slaat hier de plank volledig mis. Als hij de
holocaust er dan toch bij wil halen (dat had een Joodse schrijver moeten
proberen!), dan was het dichter bij de waarheid geweest om te stellen dat onder
veel overlevenden van de holocaust de viering van het Jodendom (in al zijn
verschijningsvorm, inclusief de praktijk van jongensbesnijdenis) wordt
beschouwd als een overwinning op Hitlers poging het Jodendom uit te roeien.
Joden zijn een volk dat mislukte uitroeiïngspogingen viert (Een bekend Joods
grapje luidt:“They tried to kill us, we survived; let’s eat!”), niet een
van wraak.
Ook sleept hij het Jodendom er bij de haren bij om
maar aan te tonen dat Joden en Moslims van hetzelfde laken een pak zijn. Nu ben
ik een groot voorstander van het benadrukken van de overeenkomsten tussen
Moslims en Joden, om zo meer begrip voor elkaar te kweken.. Maar wat El Haji
hier doet is misleidend. Ja, Joden en Moslims besnijden hun zonen. Maar
inhoudelijk is de praktijk duidelijk anders. Op eenzelfde demagogische manier
heeft men bij de Partij voor de Dieren willen stellen dat Joden en Moslims op
dezelfde manier dieren slachten. In beide gevallen geldt dat de praktijk lijkt
voor een leek en op het eerste gezicht hetzelfde lijkt, maar dat er inhoudelijk
grote verschillen zijn.
Laat ik me in dit geval beperken tot de
voorhuidsbesnijdenis:
·
Om te
beginnen vindt die bij Joden plaats op de 8e dag na de geboorte. Bij
Moslims gebeurt dit in de meeste gevallen als het kind ouder is en al kan
praten en lopen, soms op de leeftijd van twee (zoals kennelijk bij El Haji het
geval was) maar vaker op 5-, 6- of 7-jarige leeftijd of zelfs ouder.
·
Bij Joden is
de jongensbesnijdenis terug te voeren op dat ene heilige boek, de Thora, waarin
God aartsvader Abraham gebiedt om zichzelf te besnijden evenals zijn zonen.
Voor de volgende generaties moet dat op de 8e levensdag gebeuren. Bij Moslims
ligt het ingewikkelder. De verplichting om zonen te besnijden staat niet in de
Koran, maar komt in mindere geschriften aan de orde. En van duidelijke tijd- en
regelgeving is al helemaal geen sprake.
·
Tenslotte
degene die de besnijdenis uitvoert. Binnen het traditionele Jodendom mag dit
alleen gebeuren door een moheel, iemand die daartoe speciaal is opgeleid
en protocollen volgt. Binnen de Islam gelden ook ten aanzien van dit punt geen
strikte regels.
Het is dus zeer goed mogelijk dat El Haji pijn heeft
ondervonden toen hij twee was. En ongeacht of hij er nu nog last van heeft (je
zal er maar een succesvol schrijver door zijn geworden!), in zijn cultuur is
het inderdaad goed mogelijk dat je je als kind goed bewust bent en blijft van
dat moment. En dat je daar als volwassene twijfels over hebt. Zeker als je
vindt, zoals hij, dat besnijdenis van geen enkele betekenis is.
Anders is het voor Joden gesteld met de b’rith milah. Dit betreft
een gebod dat volgens het geloof direct afkomstig is van God. Uit te voeren op
de 8e levensdag, wanneer een kind zich nog van niets bewust is, maar
de ouders des te meer. En uitgevoerd door een deskundige. Hierin verschillen het
Jodendom en de Islam dus inhoudelijk.
Laat El Haji vooral naar zijn eigen piemel kijken om te
beargumenteren waarom hij zijn zoon niet heeft besneden en wat zijn moeder
ervan vindt. Maar het is onnodig om anderen met oneigenlijke argumenten voor
zijn karretje te spannen en af te vallen om uit te leggen waarom hij in januari
nog geen last had van zijn besneden piemel en in oktober wel.
* Een verkorte versie van dit weblogbericht verscheen op 9 oktober 2012 onder de kop "Besnijden" als ingezonden stuk in De Volkskrant.
* Een verkorte versie van dit weblogbericht verscheen op 9 oktober 2012 onder de kop "Besnijden" als ingezonden stuk in De Volkskrant.
Labels:
b'rith milah,
besnijdenis jongensbesnijdenis,
brit mila,
El Haji,
geloof,
holocaust,
islam,
jodendom,
jood,
Joods,
moslim,
religie,
ritueel,
Said El Haji,
slachten,
thora,
tora,
Volkskrant,
voorhuidsbesnijdenis
Abonneren op:
Posts (Atom)


